Gerard Padberg ging midden in de kroeg op z'n knieën
4 juni 2012 om 00:00 NieuwsKERK IN DE KROEG - Tijdens de dienst in café Korevaar vroeg Gerard Padberg of hij voor zijn moeder mocht bidden. ,,Natuurlijk.'' Hij viel midden in de kroeg op z'n knieën. Niemand had dat verwacht! Met natte wangen bad hij of zijn moeder verlost mocht worden van haar alcoholverslaving. Dit was de eerste keer dat hij in de kroegkerk kwam. Geen wonder want hij woont in de buurt van Hoogeveen. ,,Toen ze vroegen of ik mee wilde gaan dacht ik dat het een grap was: kerk in een kroeg! Maar dit was een bloedserieuze dienst. Dat maak je niet elke dag mee.'' Hij vond het achteraf niet raar. ,,Nee, want Jezus ging er ook opuit om het Evangelie te brengen.''
Dat Gerard zo vrijmoedig voor zijn moeder ging bidden, hangt samen met zijn levensverhaal. ,,Ik had totaal geen vertrouwen meer in mensen. Mijn ouders waren beiden alcoholist. Toen zij scheidden zei mijn moeder: 'Ik moet dat pestjong niet'. Zo kwam ik bij mijn vader en stiefmoeder. Hij misbruikte me. Soms vele keren per dag. Hij sloeg me. De littekens staan nog op mijn rug. Als ik aan hem terugdenk had ik hem het liefste zelf onder de groene zoden geslagen. Dat hoeft niet want hij is gelukkig dood. Ik weet dat ik moet leren om hem te vergeven, maar zover is het nog niet. Ik werd een zwerver en woonde in een kraakpand. In die tijd was ik verslaafd aan alles wat ik in m'n klauwen kon krijgen. Als ik niets had, stal ik lijm in de HEMA om dat te snuiven. Daar heb ik waarschijnlijk epilepsie aan overgehouden. Ik kan het niemand aanraden. Het kwam zover dat ik voor de trein wilde springen. Dat was zeven jaar geleden. Toen kwamen woonwagenbewoners mij bezoeken. Eerst vroeg ik me af wat ze met me moesten. Maar ze hielden me tegen en wilden met me bidden. Ik moest er niets van hebben. Alleen als ze mij konden garandeerden dat het zou helpen en… als zij de politie niet op m'n dak zouden sturen. Ze gaven die garantie. Het werd een kort gebed en God raakte me krachtig aan. Ik stopte met alcohol en drugs. Nog steeds snap ik niet wat God in mij ziet. Ik heb er zo'n puinhoop van gemaakt. Maar als ik tegenslag krijg, grijp ik toch weer naar de drank. Dan vraag ik waar God nu toch blijft! Ik heb heel goede broeders en zusters. Sommigen zijn als pleegouders voor me. Zij helpen me. Verder heb ik mijn veestapel: kippen, konijnen, honden en katten. Als je mensen leert kennen, dan ga je van dieren houden. Ik vind het nog moeilijk om mensen te vertrouwen. Gelukkig herstelt het contact met mijn moeder weer. Ze heeft mij nooit echt mishandeld en probeert goed te maken wat vroeger fout is gegaan. Dat waardeer ik. Maar als ik over het geloof begin dan is het huis te klein.''
Ik vroeg wat God of Jezus voor hem betekende. ,,Ik denk dat ik zijn oogappeltje ben. Zoals Izak en Jakob.''
Gerard Vrooland










