
Raadspraat - AZC
1 oktober 2025 om 14:57 ColumnVoor wie niet onder een steen heeft geleefd: er komt een AZC naar Sliedrecht.
De discussie daarover is fel en vaak respectloos. Tegenstanders roepen dat “gelukszoekers, verkrachters en criminelen” niet welkom zijn en dat voorstanders “bloed aan hun handen” hebben. Er worden bedreigingen geuit en leugens verspreid. Voorstanders vinden dat iedereen geholpen moet worden en zetten critici weg als racist of wappie. Beide kampen zijn hard, ongenuanceerd en overschreeuwen elkaar. Dat maakt dat ik mijn eigen mening vaak niet durf te uiten.
De waarheid is dat ik in een spagaat zit. Ik ben geen uitgesproken tegenstander, maar ik zit er ook niet om te springen.
Ik voel mee met mensen in nood. Het idee dat zij huis, spullen en familie moesten achterlaten en hier terechtkomen in een vreemd land, in kleine kamers met vreemden, zonder netwerk en taal, raakt me diep. Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, heb ik direct spullen ingeleverd bij een inzamelpunt. Niet om mezelf een schouderklopje te geven, maar omdat ik vind dat je moet helpen waar je kan. In ons dorp verblijven nu al zo’n 200 vluchtelingen (160 Oekraïense vluchtelingen aan het Stationspark en 47 asielzoekers uit verschillende andere landen op de Industrieweg) en ik hoor persoonlijk geen geluiden dat mensen daar last van hebben.
Tegelijkertijd maak ik me zorgen, want landelijk zijn er wél problemen. Mensen van wie de herkomst onduidelijk is, krijgen hier een vrijbrief terwijl wij ons altijd moeten kunnen identificeren. Het grootste deel bestaat ook uit alleenstaande jonge mannen, vaak met andere normen en waarden dan in onze samenleving.
Als moeder van een dochter raakt dat me extra. In een tijd waarin vrouwen eindelijk meer hun plek opeisen, komt er een cultuur bij waarin vrouwen vaak nog minder respect krijgen. Dat voelt alsof we achteruitgaan.
Juist daardoor voel ik me verscheurd. Ik wíl helpen, maar ik heb ook vragen. En telkens als ik die stel, word ik in een hokje gedrukt. Voor voorstanders ben ik “tegen en een racist”, voor tegenstanders “te naïef en een bomenknuffelaar”. Zo blijven mijn twijfels onbeantwoord en lijkt er geen plek voor mensen zoals ik: mensen die compassie hebben, maar ook kritisch zijn.
Wat ik het meest mis, is de mogelijkheid om met elkaar in gesprek te gaan zonder oordeel. Om te zoeken naar een middenweg, waar ruimte is voor hulp én voor zorgen. Zolang extremen de toon voeren, trekken mensen in het midden zich terug. En dat is zonde, want juist daar ligt volgens mij de sleutel om samen verder te komen.
Misschien is het tijd dat we niet harder gaan roepen, maar beter gaan luisteren—want alleen zo vinden we samen de weg vooruit.
Maria Stam
PRO Sliedrecht
















