
Mees Boer (94) maakte als kind de Tweede Wereldoorlog mee: ‘Ik herinner me doodse stilte na de bombardementen’
4 mei 2025 om 11:04 Historie Tips van de redactieSLIEDRECHT Ik was 9 toen de oorlog uitbrak. We woonden in de Julianastraat. Midden in de nacht op 10 mei 1940 werden mijn broertje - hij was twee jaar jonger dan ik - en ik wakker van het geluid van massaal overvliegende vliegtuigen. Vliegtuigen waren heel bijzonder, die zag je toen bijna niet, en zeker niet met zoveel. Op de vliegtuigen stonden kruizen. We snapten er niets van. Onze vader kwam bij ons op de kamer en vertelde ons dat de Duitsers Nederland waren binnengevallen en dat de oorlog was begonnen.” Aan het woord is Mees Boer. Inmiddels is hij 94 en is het tachtig jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog eindigde, maar tijdens het gesprek blijkt steeds dat het gevoel over die ingrijpende jaren nog vers in het geheugen ligt.
door Marjanne Dijkstra
Van oorlog had ik geen idee. Bij ons thuis werd veel gelezen en ik las veel jongensboeken over oorlogen in de Middeleeuwen. In die boeken trokken troepen soldaten plunderend en moordend door het land. Ik was zó ontzettend bang dat ze ons ook zouden komen vermoorden. Mijn vader kon die zorg een beetje wegnemen, maar per saldo besefte ik niets van wat er de komende jaren zou gebeuren. De dag van die Duitse invasie was heel gek. Het was heel mooi weer en het was stil op straat. Ik speelde met mijn vriendjes in het dorp. We hoorden dat er in Dordrecht hard werd gevochten en dat Nederlandse soldaten de spoorbrug hadden laten springen. De berichtgeving was natuurlijk heel anders dan nu. We hadden geen telefoon, laat staan mobieltjes en het nieuws dat er kwam, hoorden we via de radio.”
EERSTE ERVARING MET DOOD
,,De maanden verstreken en voor veel Sliedrechters leek het of de oorlog niet meer aan de gang was. We merkten er toen niet zoveel van en we dachten al helemaal niet aan bommen. Tot 8 juli 1940. Mijn broertje en ik zaten net weer op school, toen er bommen bij ons in de buurt vielen. Het was maandag en mijn moeder deed de was, net als alle vrouwen vroeger op maandag deden. Ze liep van het schuurtje naar de keuken en toen ze de drempel opstapte, vielen de bommen. Mijn zusje Annie van 6 was achter haar aangehuppeld en zij werd geraakt door de bomscherven. Haar kleine lijfje werd door de scherven uit elkaar gerukt. Mijn moeder vertelde later dat ze misschien wel een half uur in de stromende regen - er was inmiddels onweer losgebarsten - bij de resten van mijn zusje heeft gezeten. Het was ook bizar voor ons, tussen de middag hadden we nog met zijn drieën gespeeld, maar omdat Annie heel erg was verminkt heb ik haar nooit meer gezien. Mijn vader - die aan het werk was - heeft haar moeten identificeren aan een ringetje aan haar hand, maar de rest was in lakens gewikkeld. Het was mijn eerste échte ervaring met de dood. Ik had wel een opa die was overleden, maar dit was heel anders. Bij dat bombardement kwamen negen mensen om. Op de dag van de begrafenis gingen we samen met de familie van alle overleden mensen lopend naar de begraafplaats. Daar waren honderden mensen. Mijn zusje ligt in een graf met de overbuurvrouw. Ik herinner me dat de kist van de overbuurvrouw als eerste het graf in ging en daarna het kleine kistje van mijn zusje er bovenop. Elk weekend gingen we naar het graf toe. Mijn ouders hadden eigenlijk helemaal geen geld voor een grafsteen, maar hadden al hun geld bij elkaar gelegd voor een mooi marmeren grafsteentje. Een aantal jaren geleden heb ik een nieuw steentje laten leggen op het graf, omdat de letters helemaal verweerd waren. Ik heb toen gevraagd om hardsteen, zodat het ook na mijn dood mooi blijft. Ik heb wel een zinnetje op de steen laten veranderen. Onderaan staat nu dat ze is omgekomen bij het bombardement op 8 juli 1940. Zo is het voor iedereen meteen duidelijk wat er met haar is gebeurd.”
‘Toen het geluid van de vliegtuigen wegstierf, kropen we uit het putje’
MONUMENT
,,De dood van mijn zusje is een traumatische gebeurtenis waar ik eigenlijk nooit over heb kunnen praten. Jarenlang beleefde ik 4 mei voor de televisie en zat ik weer met ogen vol tranen voor de tv. Toen het duidelijk werd dat er een monument voor de slachtoffers van de bombardementen in Sliedrecht kwam op de begraafplaats, vroeg toenmalig burgemeester Bram van Hemmen mij of ik daar wilde spreken. Ik moest daar even over nadenken, maar 75 jaar na de bombardementen is het monument onthuld en heb ik daar ook een toespraak gehouden. Sinds een aantal jaar worden op kerstavond lichtjes ontstoken op de oorlogsgraven in Sliedrecht en daar ben ik ook altijd bij. Ik vertel dan altijd iets over de personen die daar liggen, dat vind ik heel belangrijk, want veel van hen kende ik.”
STILTE NA BOMBARDEMENTEN
,,Toch ging het leven ook na die heftige gebeurtenis verder. Mijn ouders kregen nog twee kinderen en we moesten zorgen dat er genoeg te eten was. Het voedsel ging op de bon. Mijn moeder was goed bevriend met de bakker en ze kreeg veel extra’s van hem. Mijn vader was jaren amateur-dirigent bij Crescendo, maar in de oorlog ook bij twee andere kleine muziekkorpsjes. Ik ging wel eens met hem mee en dan kregen we ook vaak spullen en eten mee. Aardappels of tarwe bijvoorbeeld. Vanaf oktober 1944 werden ook gas en elektriciteit afgesloten. We moesten toen koken op hout. Je zag de boompjes in onze straat verdwijnen. Samen met mijn broertje ging ik vaak op pad. We waren toen 14 en 12 en op een dag gingen we op de Paralleweg langs de spoorlijn een boompje omzagen. In de verte zagen we politiemannen uit Wijngaarden aankomen, dus we gooiden ons gereedschap in de sloot. We werden opgepakt en apart van elkaar in een politiecel op het gemeentehuis verhoord. Kinderen waren we nog, maar we ontkenden glashard dat we een boom aan het omzagen waren. Toen we vrijkwamen haalden we ons gereedschap uit de sloot en zaagden we de boom alsnog om. Of de keer dat we samen op etenstocht waren. We reden op de fiets richting Gorinchem en bij Schelluinen zagen we geallieerde vliegtuigen boven de weg cirkelen. Over de weg reed een Duitse auto met een paard ervoor, kennelijk was er niet genoeg brandstof. We wisten wat dit cirkelen van het vliegtuig betekende, gooiden onze fietsen neer, doken in een schuttersputje langs de weg en even later vlogen de kogels over ons heen. We kropen bijna ín de grond. Toen het geluid van de vliegtuigen wegstierf, kropen we uit het putje. Het paard lag op de grond, de auto stond in brand, maar wij waren er nog. We pakten onze spullen en gingen snel verder. Ik voelde me zo verantwoordelijk voor mijn broertje. Het laatste heftige oorlogsfeit was het bombardement van 1 januari 1945. We hadden visite en een aantal mensen kon op tijd de kelder in, maar mijn vader en ik belandden languit in de gang. Een aantal meter verderop lagen twee huizen in puin. Van al die bombardementen herinner ik me de stilte daarna. Het is dan doodstil en je hoort alleen het wegstervende geluid van de vliegtuigen. Je ruikt en proeft de kalk die vrij komt. Als ik eraan denk, proef ik het nog steeds.”
BEVRIJDING
,,Een paar maanden later werd Nederland bevrijd. Het was 4 mei en onze ramen waren nog dichtgetimmerd met planken na dat laatste bombardement. Het was avond en ‘Sperzeit’ zoals de Duitsers zeiden en opeens hoorden we buiten een hoop gepraat, gelach en geroep. Dat was natuurlijk een groot risico, dus mijn vader ging heel voorzichtig buiten kijken. Daar hoorde hij dat de Duitsers hadden gecapituleerd. Hij riep ons erbij en vertelde dat we vrij waren. De volgende ochtend durfden we toch niet heel vroeg melk te gaan halen, het jaar ervoor waren er immers ook geruchten dat we bevrijd zouden zijn. Maar uiteindelijk bleek het toch waar. In de dagen daarna waren er in alle buurten feestjes waar je spelletjes kon doen, kon dansen en waar ik voor de eerste keer jazzmuziek hoorde. Wonderlijk was dat er opeens van alle kanten ook eten kwam. Kennelijk waren er mensen met voorraden. Ook kregen we van de geallieerden noodrantsoenen met onder andere kaakjes en cakes.”
VERWERKEN
,,Na de oorlog ging ik verder met mijn leven. Ik maakte de Mulo af, ging naar de kweekschool, ging het onderwijs in, trouwde en kreeg twee kinderen. Maar toch is die oorlog altijd bij me gebleven. Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak heb ik drie nachten niet geslapen. Je kunt een kind wel uit de oorlog halen, maar de oorlog niet uit een kind. Daar denk ik steeds aan als ik die beelden zie van de oorlog in Oekraïne en Gaza. Lang heb ik haat gekoesterd tegen Duitsers. Als ik naar Zwitserland op vakantie ging, reed ik door Frankrijk en zeker niet door Duitsland. Of die keer dat ik wél in Duitsland terecht kwam en te maken kreeg met autopech. Ik trof een nare garagebaas met een petje, dat me deed denken aan de soldaten, die zijn personeel afblafte. Zie je wel, dacht ik. Ze zijn allemaal zo. Tot mijn zoon, hij heeft een huis in Berlijn, me daar uitnodigde. Hij vertelde me dat de mensen van zijn generatie hun ouders ter verantwoording hadden geroepen over hun rol in de oorlog. Dat zette voor mij dingen in een ander perspectief en zo heb ik dat langzaam kunnen loslaten. Ik heb veel aardige Duitsers ontmoet. Maar we moeten vrijheid niet voor lief nemen. We moeten er voor vechten. Voor mij is vrijheid dat ik mag en kan zijn wie ik ben. Dat ik vrij kan praten en kan gaan waar ik wil. Dat ik nu over dit alles kan praten, vind ik prettig. Steeds als ik mijn verhaal vertel, raak ik een stukje emotie kwijt. En dat ook mijn kleinkinderen nu het verhaal over mijn zusje kennen, vind ik zo waardevol. De situatie in de wereld is spannend, maar voor mezelf ben ik niet bang. Voor mijn kinderen en kleinkinderen wel. Ik hoop dat zij nooit mee hoeven te maken wat ik heb meegemaakt.”












