Afbeelding
Marjanne Dijkstra
IN MEMORIAM

Merwedegijzelaar Martinus Bos: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik bang was’

Historie

SLIEDRECHT Opgewekt, kras en gezellig. Martinus Bos is inmiddels 95, maar dat is hem niet aan te zien. De hoogbejaarde Sliedrechter woont inmiddels al een aantal jaar in Bleskensgraaf. Hij was onderdeel van een belangrijk stuk in de Sliedrechtse en ook wel vaderlandse geschiedenis. Samen met nog honderden andere jonge mannen wordt Bos tijdens een vergeldingsrazzia op 16 mei 1944 opgepakt. De mannen worden zonder enige vorm van proces meegevoerd en verzameld bij de Nederlands Hervormde Kerk in Sliedrecht en op het schoolplein van de School met de Bijbel in Neder-Hardinxveld. Aan de Brabantse kant van de Merwede, worden de mannen veelal bijeen gebracht bij smid De Kreek. Een gesprek met een van de laatste overlevenden van de Merwederazzia.

,,Ik ben een echte Sliedrechter en ben geboren op Baanhoek. Het gezin waaruit ik kom was niet groot en bestond uit mijn vader, moeder, zus en ik. Nu ben ik nog alleen over. Het was 16 mei 1944 toen er om zes uur ‘s morgens twee ‘gezellige kerels’ aan de deur stonden. Twee Duitsers dus, met geweren. ‘Nee ik kan niet mee hoor, ik moet gaan werken’, zei ik nog. Ik werkte toen op de scheepswerf van Klop. Maar daar kwam niets van in en ik moest met hun mee. Mijn moeder liep huilend door het huis en ik kon nergens mijn kleren vinden. Ik zei nog dat ik mijn konijnen moest voeren. Dat mocht nog, maar ze hielden me nauwlettend in de gaten, bang dat ik er vandoor zou gaan. Uiteindelijk werden we met zijn allen bij de spoorbrug opgesteld en moesten we richting de hervormde kerk lopen. We vertrokken met overvalswagens om kwart voor drie ‘s middags. Dat zal ik nooit vergeten. Mijn vrouw was toen nog mijn verkering en ze kon nog net naar me zwaaien. Je staat echt gek te kijken hoor, als er opeens ‘s morgens vroeg twee Duitsers voor je neus staan.”

KAMP AMERSFOORT ,,We hadden geen idee waar we heen gingen, maar uiteindelijk werd het wel duidelijk. We reden richting Utrecht en Amersfoort en we wisten allemaal dat er in Amersfoort een kamp was. In Kamp Amersfoort moesten we bossen stro vlechten. Je had drie strengen en je moest daarmee strengen van vijftig meter lang aan een hek vlechten en daarna inleveren. Dat werd gebruikt voor iets in de oorlog, wat weet ik niet meer precies. We werden niet heel goed behandeld. Zeker de eerste paar weken kregen we amper te eten. Een beetje water met wat kool erin. Later werden er voedselpakketten gebracht van het Rode Kruis met roggebrood en ook twee eieren, die oranje waren geverfd. Ik kan me niet herinneren dat ik bang was. Je deed het gewoon. Natuurlijk zag ik wel ellende van anderen. Er was een plek, omheind met prikkeldraad, die werd de rozentuin genoemd. Mensen die straf hadden, moesten daar kniebuigingen doen en kregen slaag met een paal. De Duitsers wisten wel hoe ze mensen aan moesten pakken, beulen waren het. Het was een beroerde tijd.”

Ik begrijp dat dat voor hen heel pijnlijk moest zijn, maar ik kon er niets aan doen

,,Na twee maanden werd ik er ‘s morgens toen we op appèl moesten komen uitgepikt. Toen werd ik wel een beetje zenuwachtig. Wat gingen ze met me doen? Moest ik naar een concentratiekamp in Duitsland of kreeg ik de doodstraf? ‘Je mag weg, pak je spullen en je kunt gaan’, zei die Duitser. Ik heb niks meegenomen en ben de poort uitgelopen. Ik was zo blij dat ik weg kon. Ik had alleen echt geen geld om terug te gaan naar Sliedrecht. Ik heb toen geld geleend bij een familie die daar woonde, de familie Kenting. 1 gulden 85 leende ik van hen voor een enkele reis naar Sliedrecht. Toen ik daar aankwam, was het hele dorp uitgelopen. Ze verwachtten meer mensen, maar het waren alleen ik en nog een jongen uit Hardinxveld-Giessendam. Waarom ik dan de rest niet had meegenomen, werd me gevraagd. Ik begrijp dat dat voor hen heel pijnlijk moest zijn, maar ik kon er niets aan doen. Ik was zo blij dat ik weer thuis was. Ik zat onder de luizen en mijn moeder verbrandde al mijn kleding buiten. Mijn werkgever had een grote rol gespeeld in mijn vrijlating. Later heb ik mijn baas daar nog voor bedankt. ‘Dat zit wel goed jongen’, sprak hij.”

Na de oorlog trouwde Martinus Bos met Mien Klein, met wie hij al verkering had toen hij die 16 mei 1944 werd opgepakt. Het bleek achteraf dat hij enorm veel geluk heeft gehad. Bos was namelijk al geselecteerd voor het transport dat in de nacht van 6 op 7 juli 1944 naar Halle/Merseburg in Duitsland zou vertrekken. Vele mannen gingen wel op transport en kwamen nooit terug, maar Bos werd op 6 juli plotseling vrijgelaten. Martinus en Mien kregen een dochter en inmiddels wacht Bos op de geboorte van zijn achter-achterkleinkind. Hij is altijd positief gebleven. ,,In de eerste tijd heb ik wel last gehad van die periode, maar hoe langer het geleden was, hoe meer het wegebde. Je moet geen oude koeien uit de sloot halen, zeggen mensen wel eens. Maar ik heb altijd veel over deze periode verteld en ik slaap er niet slechter door gelukkig.”

door Marjanne Dijkstra

~ Dit verhaal is geschreven in oktober 2020, vlak voor de onthulling van het monument voor de Merwedegijzelaars. ~

advertentie
advertentie